Adriaan’s column

Boterkoek
Niet lang geleden had ik iets nodig dat in ons dorp niet te verkrijgen was, dus ik ging naar een belendende grote plaats om mijn boodschap te doen. In dat stadje kwam ik een kennis tegen die aan mij vroeg: “Schrijf jij nog steeds van die gekke stukkies in de IJsselhammer?” Dit leidde tot een discussie over schrijven in het algemeen en columns in het bijzonder. Met groot lef riep ik dat ik in principe over elk onderwerp een verhaaltje kon produceren. En voor ik het wist, had ik een weddenschap afgesloten, waarbij mijn opponent het onderwerp mocht aandragen. Omdat we voor een bakkerij stonden te praten, wees hij op een verleidelijke lekkernij in de etalage en riep “Boterkoek!”
Daar stond ik met mijn grote mond. Nu is het zo dat ik geen onderwerp uit de weg ga, maar schrijven over zoiets? Maar okay, als je A zegt, moet je ook B zeggen. Ik toog dus naar een mij bekend lunchrestaurant waar ze geen onaardig gebak serveren, bestelde een espresso en het gewraakte onderwerp en wachtte op een paar ideeën.
Terwijl ik mijn arme oude hoofd pijnigde, kwamen er nog twee bezoekers binnen, een vrouw met, waarschijnlijk, haar zoon. De jongen was een jaar of zeventien, maar had zo te zien de verstandelijke vermogens van een kind van een jaar of vijf, zes. Hij keek onbevangen om zich heen en riep terwijl hij naar het tafeltje wees waar ik alleen aanzat.
“Daar is nog een plaats mam!”
Het was nogal vol, dus ik had er geen bezwaar tegen dat ze aanschoven. De vrouw accepteerde dankbaar en hielp de jongen uit z’n jas. Toen ze zaten keek hij nieuwsgierig naar mijn blaadje papier, waar nog niet veel opstond.
“Niet zo kijken Freek, dat is niet beleefd.” zei z’n moeder en leidde zijn aandacht handig af door hem te vragen wat hij wilde drinken: “Cola!” riep hij overluid.
Dankbaar voor de afleiding observeerde ik het tweetal. Maar mijn aandacht werd alweer in beslag genomen door een nieuwe klant die binnen kwam zeilen. Het was een dame van onbestemde leeftijd, die met een majesteitelijke waardigheid rondkeek waar ze zou gaan neerzijgen. (Als ik het heb over iemand van onbestemde leeftijd, bedoel ik dat die leeftijd door overvloedige make-up zo gemaskeerd wordt, dat het moeilijk wordt om het bouwjaar te schatten) Ook haar kleding was net iets aan de overmatige kant en werd gevormd door o.a. een mink die bijkans tot de vloer reikte. Mevrouw had geluk, er gingen net een paar mensen weg, dus ze hoefde niet bij ons te zitten. Ik had de indruk dat ze zich daar ook iets te goed voor voelde. De jongen keek met open mond naar het met bont bedekte slagschip en vroeg aan zijn moeder: “Is die jas van echte dooie dieren?”
De dame schrok op, bloosde en negeerde de opmerking. De moeder werd ook rood en probeerde zijn aandacht af te leiden. Maar hij bleef gebiologeerd naar de overdadig geparfumeerde verfdoos zitten kijken. “Wat heeft de mevrouw rode lippen hè?”
De hele tent zat nu mee te luisteren en besmuikt te lachen. Ook ik had moeite om mijn plezier te verbergen, terwijl ik toch eigenlijk medelijden moest hebben met de getergde modepop. De jongen kreeg zijn cola en begon die met grote slokken tot zich te nemen. Daarna keek hij weer naar de dame, die zich met gracieuze bewegingen van haar jas ontdeed. Toen ze aanstalte maakte om haar ‘neus te gaan poederen’ riep hij: “Gaat ze nou plassen?”
De dame werd vuurrood en ik zakte langzaam onder de tafel. Toen ik uitgelachen was ben ik maar weggegaan, ik kon het niet meer aanzien. Hoe is dat spreekwoord ook alweer? ‘Kinderen en dronken mensen spreken de waarheid?
Die column over boterkoek schrijf ik wel een andere keer…

Reacties? adr.noordergraaf@planet.nl

N.b.  Deze column schreef ik speciaal voor de talentenveiling ten bate van de World Servants   en is samen met twee zelfgebakken boterkoeken geveild voor dat goede doel.