Adriaan’s column

Fantasie

Ze droeg een karamelkleurige mantel en had een hoedje op, een hoedje met een veer. Aan haar handen crèmekleurig handschoenen. Ze stond daar in de zon, alleen, alleen voor de grote, dichte kerkdeur te wachten. Ze keek op haar horloge, deed daarna een stap terug om op de klok van de toren te kijken. Na vijf minuten wachten voelde ze voorzichtig aan de kruk van de deur, tevergeefs. Ze keek nog een keer om zich heen en begon met haar gehandschoende vuist op de deur te slaan, eerst zachtjes, daarna harder. Ze stopte omdat het pijn ging doen.

Er kwam een fietser de hoek om, toen hij haar zag staan, remde hij en vroeg of hij haar kon helpen.

‘Ik kwam voor de dienst, die zou om half tien beginnen.’

De jongen schudde zijn hoofd en vertelde haar dat alle diensten vanwege het Coranavirus afgelast waren. Toen ging er bij haar een licht op.

‘Natúúrlijk, wat dom dat ik daar niet aan gedacht heb.’

Ze liep op hem af en vroeg.

‘Wil je een pepermuntje.

De jongen deinsde achteruit.

“Wilt u alstublieft niet zo dicht bij me komen?’

‘Waarom niet?’

‘Anderhalve meter.’ zei de jongen kort en fietste verder.

 

Ik liep een rondje om een frisse neus te halen. Onder een boom zag ik een man op een bankje zitten. Hij zag er miserabel uit, het toonbeeld van ellende. Zijn uitstraling was zo wanhopig dat ik niet verder wilde lopen.

‘Eh, gaat het wel goed met u?’

De man hief langzaam zijn hoofd en keek met me met bloeddoorlopen ogen aan.

‘Nee,’ zei hij, kortaf, ‘het gaat niet goed!’

‘Heeft u honger?’ ik had nog een reep chocolade ik mijn zak en trok die al tevoorschijn.

‘Nee, ik heb geen honger.’

‘Dorst, misschien?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Dat is het niet, ik ben mijn baantje kwijt, geen werk meer.’

‘Dat is niet zo best, wat voor werk doet u?’

Hij aarzelde.

‘Dat is een beetje moeilijk om te zeggen.’

‘Doe het toch maar’, probeerde ik troostend te zeggen, ‘misschien lucht het op.’

‘Tja,’ zei hij, ‘het probleem ligt hierin, dat iedereen thuis is. Vrijwel iedereen is thuis van zijn werk of doet z’n werk thuis. Dat is mijn probleem.’

Ik keek hem niet begrijpend aan.

‘Ik snap het niet, wat heeft dat met uw werk te maken?’

De man zuchtte.

‘Ik ben inbreker.’

 

NB.

Eén ding is zeker: mijn fantasie is nog lang niet in quarantaine.

 

Reacties? adr.noordergraaf@planet.nl